Chrétien Breukers werd geboren op 28 maart 1965
in het Limburgse Leveroy, om half tien in de ochtend,
net voor de hoogmis - het was een zondag. Op diezelfde
dag werd de Tsjechische schrijver Bohumil
Hrabal 51 jaar, iets waar Breukers zich zeker de eerste
dagen nog niet van bewust was.
Zijn eerste gedichten schreef Breukers begin jaren tachtig,
onder invloed van het werk van Adriaan
Roland Holst, waar hij nog steeds een zwak voor heeft.
Het zou nog tot 1990 duren voordat hij debuteerde in het
tijdschrift De Tweede Ronde. Hij publiceerde daarna nog
in diverse tijdschriften, zoals Maatstaf, Optima, Hollands
Maandblad, Bunker
Hill, de Poëziekrant
en Zwart IJs.
In 2004 nam hij het initiatief om de Windroosreeks
nieuw leven in te blazen, en met succes. Na wat kleine
geschillen met de
uitgever van de reeks vertrok hij om de Contrabas
op te richten. De eerste delen in die reeks verschenen in februari 2006, bij uitgeverij BnM. Breukers is hoofdredacteur (a.i.) van de gelijknamige weblog: de Contrabas.
In 2006 verscheen 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten. Over deze bloemlezing zei Wim Brands: 'Kopen die bundel!' En Jos Joosten merkte op: 'Breukers heeft het goed gedaan'.
Breukers woont samen met beeldend kunstenaar en schrijver Nicole Montagne, in Utrecht, en heeft twee dochters: Martha (2000) en Tamar (2003).
Raadpleeg ook www.google.com voor nog meer meer over Chrétien
Breukers.
Vandaag in deze stad, Cadans, 1991 De Stoofsteeg en andere gedichten,
Perdu, Amsterdam, 1999 Korte geschiedenis van het voorafgaande,
De
Weideblik, 2005
Andere publicaties
Anatomisch Alfabet, 26 gedichten,
in: Hollands Maandblad, april 2002 In het prentenkabinet, 16 gedichten
bij wijze van inleiding op het grafische
werk van Nicole Montagne, in: Het portret
geportretteerd, Waanders 2003 Alles is er nog, verzamelde gedichten
van Jan
Kostwinder, samenstelling en nawoord
(met Hein
Aalders), Thomas Rap, 2003 Ik kan alleen maar zingen, verzamelde gedichten van Hans Berghuis, redactie, BnM Uitgevers, 2006 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten, samenstelling en voorwoord, BnM Uitgevers, 2006
We stonden in de keuken. Ik dacht:
‘Straks pak ik haar;’ maar pakken deed ik
niet. Mijn handgebaar verplaatste slechts
ijle waterdamp. Ik praatte oude
dichters na. Ik brabbelde wat over mijn
geschrijf, dat uit de dichte la. En zij,
zij speelde dat ze luisterde en keek
hoe wijzers op de klok verschoven
tot het voorgeschreven uur. Er moest,
er zou echt iets gebeuren. Maar mijn armen
hingen naar beneden. Mijn benen stonden stil.
Het werd avond. Het werd nacht. Het was
de tijd voor geesten en veredelde vermetelen.
Zwijgend stonden we. We waren al gestold.
Ik ben lam en slager, prooi en jager.
Zonder mij bestaat de jager niet.
Zonder mij verlabbekakt de prooi.
Het mes dat mij de keel afsnijdt, is scherp
en wordt met vakmanschap bestuurd.
De man die mij de keel afsnijdt, is zacht
en prevelt troost en streelt mijn vacht.
Bloed. Het stinkt. Ik gorgel. Nog even
en in mijn hoofd wordt alles licht.
De slager doet mijn ogen dicht.
Ik ben voedsel op het offerfeest.
Zonder ons gaat dat dit jaar niet door.
Ik ben de slager en ik steek het lam.
Ik ben het lam en laat de slager doen