DE PERS OVER DE 'MYTHE DER VERSTAANBAARHEID' VAN ILJA LEONARD PFEIJFFER - deel 3

Hetgeen de betrokken dichters zelf als eerste reactie schreven, kunt u hier lezen.
De eerdere en latere reacties in de pers en hetgeen Ilja Leonard Pfeijffer zelf schreef over zijn 'essay' kunt u hier lezen.

Elsevier Thomas van den Bergh 17-2-2001
Parmentier Frank Tazelaar 24-3-2001
NRC Handelsblad Fleur Speet 30-3-2001
Haagsche Courant kunstredactie 2-4-2001
NRC Handelsblad Arie van den Berg 6-4-2001
Groene Amsterdammer Rob van Erkelens 7-4-2001
Rottend Staal Online Bart FM Droog 19-4-2001
Provinciale Zeeuwse Courant Jan Smeerkens 20-4-2001
Vrij Nederland Elly de Waard 21-4-2001
Volkskrant Peter Swanborn 24-4-2001
NRC Handelsblad ? 26-4-2001

terug naar boven



GEEN HAPKLARE POËZIE
Nieuwe bundels van Menno Wigman en Erik Menkveld ontzenuwen vlammend statement over 'makkelijke gedichten'


Wie de vele activiteiten in ogenschouw neemt die zich op dit moment rondom de poëzie afspelen, zou alleen al op basis daarvan tot de conclusie kunnen komen dat de dichtkunst hier ten lande in blakende gezondheid verkeert. Neem de tweede Nationale Gedichtendag, recentelijk gevierd met poëzieworkshops, poëzieroutes en poëzieontbijten. Voeg daarbij de oprichting van een landelijke Poëzieclub door Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij, die bovendien een door hem op te zetten poëziereeks aankondigde. Biedt de poëzie zelf voldoende aanleiding voor al die feestelijke happenings? Leeft de poëzie?
Verheugend is in elk geval dat er weer een (bescheiden) debat is opgelaaid over de poëzie. De dichter Ilja Leonard Pfeijffer stak in literair tijdschrift Bzzlletin vorig jaar oktober de lont aan, door met veel verve de stelling te verdedigen dat 'onbegrijpelijke poëzie altijd beter is dan makkelijke poëzie.' Pfeijffer bepleit het intact houden van de 'inelkaaringewikkeldheid', de dubbelzinnigheid van alles, die in poëzie niet moet worden opgeheven, maar onderstreept. Het mysterie van Luceberts 'meepse barg' is daarbij zijn lichtend voorbeeld. Nu de praktijk. Wat blijft er van Pfeijffers vlammende statement over, getoetst aan een tweetal recent verschenen bundels?  
Menno Wigman (1966) debuteerde vier jaar geleden met de opvallend volwassen bundel 's Zomers stinken alle steden, waarmee hij bewust de romantische traditie omarmde. Zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar, bevat opnieuw donkergekleurde, weemoedige gedichten. Er wordt flink afgesomberd over verloren liefdes en verloren levens, zoals in 'Een huid', met de fraaie regels : 'dieper, dieper / dan  een mens ooit had gekeken keek hij / in het koude ijzer van zijn levensloop.' Als de dichter al liefde ervaart, dan is die van tijdelijke, lichamelijke aard.
Deze romantisch-decadente strekking ten spijt, lijkt Wigman zijn zwarte verleden af te willen zweren. Ergens halverwege kiest hij nadrukkelijk partij voor poëzie die eigentijds is en zich bedient van de taal van de straat. (...)
In zijn Bzzlletin-artikel deelt Pfeijffer Wigman in bij de dichters die nu juist aansluiting willen vinden bij de lyrische traditie. De andere groep, die 'aanschurkt tegen hiphop en Nederrap, is dezelfde die zich schuldig maakt aan verstaanbaarheid'. Ook Erik Menkveld (1959) valt bij Pfeijffer onder die dichters. Menkveld debuteerde in 1998 met De karpersimulator, zijn tweede bundel heet Schapen nu!.
Het titelgedicht is, in al zijn beknoptheid, te lezen als een intentieverklaring: 'Voor ik het wist was het eruit. / Pijnlijke stilte. / Iedereen in verlegenheid. / Ik ook altijd / lach ik nog. / Maar het is al te laat. / Achter de beslagen ramen ramen / groeit het geblaat.' Hier spreekt een dichter die de woorden een grote macht toekent. In poëzie is alles mogelijk, benadrukt Menkveld, en hij demonstreert het keer op keer op droogkomische, ontspannen toon. (...)
Rest de vraag: hoe verstaanbaar zijn Wigman en Menkveld? Antwoord: zeer verstaanbaar. Van syntactische ongerijmdheden is nauwelijks sprake, het taalgebruik is zelden bizar of onalledaags. Schrijven Wigman en Menkveld dus poëzie die Pfeijjffer zou afdoen als 'hapklaar?' Antwoord: ook niet. Deze auteurs bewijzen dat 'verstaanbare' poëzie wel degelijk meerduidig kan zijn. Maar die meerduidigheid zit minder in experimentele, duistere taal, dan in de mysterieuze of hilarische beelden die de taal oproept. Niet in de vorm, maar in de inhoud dus.
Een beeld als het volgende van Menkveld is in zijn alledaagse bewoordingen suggestief: ádem die ik morgen onze opblaaskrokodil / hoop in te blazen, stroomt nu in een schaap / dat zich niet vaak laat horen'. Daar kan Pfeijffers 'meepse barg' niet tegenop.
Menno Wigman: Zwart als kaviaar. Bert Bakker, fl. 31,95.
Erik Menkveld: Schapen nu! Bezige Bij, fl. 34,90.

(Thomas van den Bergh, Elsevier, 17-2-2001)   

terug naar boven


TEGEN DE BIJLEN

Samengevat is het 'een weemoedig en tijdloos gedicht over het raadsel van het bestaan dat tot nadenken stemt en waarin niets verboden is; een zwak-metrisch gedicht in free verse met een variatie aan rijm, geschreven in de ik-vorm en zich afspelend in een niet nader aangeduid seizoen.' Net nu drieduizendtweehonderd poëzielezers in een enquête van NRC Handelsblad de criteria voor het Ideale Gedicht beschreven, brengt Parmentier dit poëzienummer uit waarin alleen ideale gedichten zijn opgenomen, maar niet één ervan laat zich in deze criteria vangen.
 
Precies vijf jaar geleden leidde Hans Vandevoorde, toendertijd uitgever, de vorige geheel aan poëzie gewijde editie van dit tijdschrift in. "Wat is het gedicht van de toekomst?" schreef Vandevoorde: "Het gedicht dat niet meespeelt op de buis, niet meesurft op internet, niet meeloopt in de grachtengordel. Het tegengedicht. Tegen de commercie, tegen de cultuurkaternpausen, tegen het journaal. Het tegenzanggedicht van de marge."
 
Nu in het jaaroverzicht 2000 van het NOS journaal dichters lazen, hetzelfde journaal tijdens de massaal gevierde Landelijke Gedichtendag opende met een gedicht; ook de vergadering in de Tweede Kamer en talloze in raadhuizen die dag begonnen met het voorlezen van poëzie; er onderbroeken, keukenschorten en ansichtkaarten met gedichten worden bedrukt; nu we een Dichter des Vaderlands hebben die in het cultuurkatern van het NRC rampen en verlovingen bezingt; nu als gezegd meer dan drieduizend poëzielezers meedoen aan een enquetevraag naar het Ideale Gedicht, nu er naast Poetry International festivals zijn als Crossing Border, de Nachten, De Wintertuin, Winternachten, Noordschrift, Landgraaf en talloze literatuurpodia die met het programmeren van dichters jaarlijks duizenden bezoekers trekken - nu zou je je kunnen afvragen wat er is gebeurd met dat gedicht van de toekomst, dat tegengedicht van de marge.
 
Schreef Vandevoorde ruim vijf jaar geleden: "De poëzie heeft geen plaats [] De vierdubbele marge van wat eens avant-garde was: marge van de poëzie, die al marginaal is binnen de literatuur, die al in de marge staat van de kunst, die al aan de rand staat van de cultuur, die zich in het maatschappelijk leven aan de zijlijn ophoudt"; eind 1999 kon de jonge dichter Ronald Ohlsen in Vrij Nederland zeggen: 'Dat poëzie weer lééft, dat is de verdienste van onze generatie dichters!'
 
Er lijkt zo op het oog in vijf jaar tijd één en ander veranderd.
 
De poëzie, om alle continenten van het genre in één woord te vangen, zou je weer vitaal kunnen noemen. Er is nu blijkbaar een groter publiek, zelfs voor debuterende dichters. Mooi is dat. Maar dat dat onmiskenbaar grotere bereik van poëzie niet overal wordt gewaardeerd, kun je lezen in het essay 'De mythe van de Verstaanbaarheid', van Ilja Leonard Pfeijffer. (Bzzlletin, oktober 2000) Pfeijffer, die tot op heden één bundel publiceerde, (her)schept in dat stuk een tegenstelling tussen twee soorten dichters: de moeilijke 'dichters als ik'  versus 'gemakkelijke' podiumdichters, als Ingmar Heytze en Ramsey Nasr. Wat een achterhaalde tegenstelling is, waarin ook zijn eigen poëzie - het uitgangspunt van zijn essay - niet weet te gedijen.
 
'Complexe gedichten worden geschreven omdat de werkelijkheid complex is. Verstaanbare poëzie is eenduidig, eendimensionaal, recht-toe-recht-aan en plat.' weet Pfeijffer. Het is dan best grappig dat Pfeijffers poëzie beslist niet complex is, wat ik niet alleen na eigen lezing beweer - hij demonstreert het, misschien onbewust, ook zelf met een aantal interpretaties van zijn werk het in Bzzlletin-essay. En grappig dat de clownerie die uit Pfeijffers zeker niet saaie voordracht en met name uit zijn Ideale Gedicht spreekt (NRC, 26 januari) hem met eigen argumenten even gemakkelijk op het podium van de in zijn essay zo laatdunkend besproken voordrachtdichters zet. En ook lollig, dat het op dezelfde pagina van NRC Handelsblad afgedrukte Ideale Gedicht van Ingmar Heytze zoveel meer te lezen geeft, dat Heytze op zijn beurt met de inmiddels beschikbare Pfeijfferiaanse logica weer van dat performing poetry podium wordt geplukt. Zonder daar nu overigens meteen 'moeilijk' van te worden. Maar een enigszins serieus te nemen pleidooi voor de 'betere' poëzie van de jongste generatie zou toch echt wat meer moeten zijn dan de met gemeenplaatsen beargumenteerde stelling dat 'moeilijke poëzie altijd beter is dan makkelijke poëzie'.
Met het opdelen van de dichters van zijn generatie in verschillende kampen, toont Pfeijffer niets meer dan dat zijn denken over hedendaagse poëzie plat, eenduidig, eendimensionaal en recht-toe-recht-aan is. Terwijl het nu juist de verscheidenheid binnen die in de late jaren negentig gedebuteerde generatie is, die het aanbrengen van een dogmatische scheiding onmogelijk maakt. 
 
En al kan het woord 'complex' beter gebruikt worden door de stadsplanoloog dan voor de dichter; ik zou niet weten in welk kamp ik de complexe gedichten schrijvende  Peter Holvoet-Hanssen moest plaatsen. Want hier hebben we een dichter die, en dat is ongelogen, met Dwangbuis van Houdini het mooiste debuut van de voorbije tien jaar publiceerde, maar die met zijn 'evocaties'  dezelfde poëzie transformeert tot een podiumoptreden waarbij ik tegelijk hippe modeacademiestudentes en bejaarde volksuniversiteitcursisten van opwinding op en neer zag springen. En in welk kamp plaatsen we Menno Wigman? Arie van den Berg schreef recent (NRC, 2 februari 2001) dat de vorm van de gedichten in Wigmans tweede bundel 'is ingegeven door zijn ervaring als podiumdichter'. Dit in een lovende recensie: 'een dichter die er wezen mag' , waarin hij over één van de gedichten uit die bundel opmerkt: 'wat daarin wordt verwoord, is universeel: meerduidig, maar recht in de kern waarom het gaat, in poëzie en in het menselijk bestaan'. Een complex gedicht dus, zou je denken. Van een podiumdichter.
 
Tijdens een recent interview met Peter Verhelst noemde Jeroen Olyslaeghers Verhelst de therapeut van de Nederlandse letteren, omdat deze met de combinatie van moeilijke, hermetische teksten en podiumoptredens die afwijken van alles wat we onder 'de literaire avond' verstaan het publiek zijn teksten opnieuw en anders laat ervaren. Als je kijkt naar dat podiumwerk, van dichters als Verhelst en van de eerder genoemde Holvoet-Hanssen, en naar het groter wordende publiek dat warmloopt voor optredens van dichters, ook van dichters als Pfeijffer, dan is jammer dan het toch zo veel, ook hier weer, besproken stuk van Pfeijffer niet meer weet los te maken dan een debatje over de tegenstelling tussen 'makkelijke' podiumdichters en 'moeilijke' dichters. Terwijl het juist interessant is dat die tegenstelling de laatste paar jaren op verschillende manieren achterhaald raakt. Maar nu ik het er toch over heb: Pfeijffer verbindt zijn 'betere', voor ons zogenaamd moeilijke regels in één moeite met prachtige want onbegrijpelijke regels van Lucebert. (Wat me deed denken aan Dan Quale die zich graag vergeleek met John Kennedy). Ik heb in Pfeijffers debuut nergens de onbegrijpelijk betoverende schoonheid van Pernath of Faverey, of van Lucebert kunnen lezen. Kwestie van smaak misschien. Maar de naar zijn maatstaven begrijpelijke poëzie als die van H.H. ter Balkt of Arjen Duinker,  waarin niet zelden de door Pfeijffer zo verfoeide spreektaal spreekt, kun je toch niet  'gemakkelijk' en zeker geen 'minder' werk noemen. Dat de strenge tegenstelling ook niet bij alle Pfeijfferiaanse 'dichters als ik' lekker valt, beschreef onder meer de door Pfeijffer in zijn kamp geplaatste René Puthaar. (in Vrij Nederland, van 6 januari 2000:  [] 'Het betreffende strijdstuk van Pfeijffer ken ik niet, de genoemde dichters verwerp ik geenszins, en criteria als moeilijkheid of gemakkelijkheid acht ik irrelevant. Daarbij heb ik de indruk dat de poëzie van tegenwoordig weer zo vitaal is omdat dichters geen zelfbehoudende kampjes meer vormen maar op eigen kracht en wijze de strijd aangaan; niet met collega's maar wel bijvoorbeeld met de gemakzucht, de valse retoriek en het geleuter die de poëzie van oudsher omgeven.') De in de hoek van de inferieure podiumpoëzie geschreven dichters lieten zich ook niet onbetuigd, natuurlijk. Dichters als Serge van Duijnhoven, Ramsey Nasr en Ruben van Gogh lieten in diverse reacties weten not-amused te zijn, soms op een bijna even amusante manier - getuige het hierbij afgedrukte gedicht van Ohlsen - dan de reactie dáárop van Ilja Pfeijffer, die de dichters in een open brief liet weten 'gewoon niet zo te willen zijn als jullie.'
 
 
PFEIJFFERIAANSE KYNOLOGIE
 
Mochten er dan twee soorten dichters zijn,
dan is er een gelijkenis met hondjes.
Soort a jaagt graag op zijn staart en draait rondjes.
Soort b gaat in 't veld op jacht naar konijn.
 
Dankzij de kynoloog Ilja L. Pfeijffer
weten we nu over hondjes wat meer.
De staartbijter is, zo schrijft hij geleerd,
als hond meer waard dan de konijnengrijper.
 
De mystiek van het jagen op de staart
is de zin van elk eerlijk hondenleven,
niet weggelegd immers voor koe of paard.
 
Een hond dient enkel één doel na te streven
mee te mogen draaien in dit heelal,
rondje na rondje, als hemels geval.
 
Ronald Ohlsen

Al met al: '[hier wordt] onmiskenbaar [ ] een traditioneel poëtisch geschil opnieuw uitgevent, dat ook ten tijde van de Vijftigers al leefde en jaren daarna: dat tussen verstaanbare, vertellende gedichten en ingewikkelde, organische poëzie. Er is klaarblijkelijk wel erg weinig nieuws onder de zon als het om dichterlijke conflicten gaat.' schreef Rob Schouten naar aanleiding van het onstane debat in Vrij Nederland: '[] her en der wordt weer naar de strijdbijltjes geloerd.'
 
Vandevoorde beschreef in zijn inleiding vijf jaar geleden waar de poëzie zich volgens hem op dat moment bevond: in de marge. En de redactie van Parmentier maakte een nummer, 'de marges van de poëzie' getiteld, met gedichten van dichters waarvan ze dacht dat ze niet in de marge thuis hoorden. Nu, temidden van dit heropgraven van strijdbijlen geeft Parmentier een poëzienummer uit, waarvan wij hopen dat het aan de bijlen ontsnapt. Dat het, om H.H. ter Balkt aan te halen, tegen de bijlen is.
En uit de marge, in de piste!
 
Frank Tazelaar, voorwoord Parmentier, maart 2001

 

terug naar boven


EEN GOED GEDICHT IS GATENKAAS
Bij de 21ste Nacht van de Poëzie en de VSB Poëzieprijs

Zijn 'onbegrijpelijke' dichters beter dan 'begrijpelijke'? En wie bepaalt dat? Vragen aan de vooravond van de Nacht van de Poëzie. en bij de jurering van de VSB-poëzieprijs

De dichters die morgenavond optreden tijdens de tijdens de 21ste Nacht van de Poëzie in Utrecht, zoals Astrid Lampe, Patty Scholten en Marjoleine de Vos, betreden niet alleen het podium. Ze betreden ook een strijdtoneel.
Want zoals in de jaren tachtig de dichtersgroep 'de Maximalen' zich afzette tegen de 'dichters van de stilte', zo worden de hedendaagse Nederlandse dichters in twee kampen ingedeeld. dat doet in ieder geval de jonge dichter Ilja Leonard Pfeijffer.
Het begon allemaal toen 'jonge' dichters als Erik Menkveld (toch ook geen twintig meer), Ingmar Heuytze en Pfeijffer door bloemlezer en dichter Ruben van Gogh op één hoop werden gegooid in de bloemlezing Sprong naar de sterren (1999). Van Gogh omschreef het werk van zijn collega's als 'heldere, toegankelijke gedichten. Niks cryptisch. Niks hermetisch.'
Maar daar wilde Pfeijffer niks van weten. Hij splitste zich af van de groep dichters die Van Gogh beschreef, in het artikel 'De mythe der verstaanbaarheid' in het blad 'Bzzlletin' (oktober 2000). Hij schreef: 'Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie'. Een goed gedicht weerspiegelt volgens hem de complexiteit van het menselijk denken, en kent daarom een hoge 'inelkaargewikkeldheid'.
Om de boel op te poken onderscheidde Pfeijffer rappende podiumdichters van dichters die onalledaags orakelen, waarbij de laatsten op zijn sympathie konden rekenen. Vanzelfsprekend rekende hij zichzelf tot de beter orakelende 'profeten'.
Nu waren er opnieuw dichters in een hokje geduwd, en hokjes, daar willen dichters altijd weer uit. Vandaar dat direct na het verschijnen van Pfeijffers artikel door een aantal podiumdichters op de site www.epibreren.com de woede werd verzameld van bijna alle 'verstaanbare' dichters, zoals Pfeijffer ze noemde.
'Het pedante kind' Pfeijffer heeft 'raaskallend' een onderscheid gemaakt op basis van 'ongefundeerde egomanen-onzin', valt er op de site te lezen. 'Het' stapelde leugen op leugen en zoog zo twee groeperingen uit z'n duim. De bij elkaar geschaarde dichters hebben niets anders met elkaar dan dat zij dichten. Bovendien zijn 'verstaanbaar' en 'onbegrijpelijk' vage begrippen, aldus de boze 'verstaanbaren', wat Pfeijffers schotschrift volgens hen tot een 'jammerlijk brevet van onvermogen' maakt. 'Poëzie', stelt Serge van Duijnhoven, 'is geen estafette waar maar een groepje atleten in het stadion kan winnen.'
Een persoonlijke voorkeur voor onbegrijpelijke poëzie is een ding, maar deze tot maatstaf verheffen gaat te ver, aldus de in hun wiek geschoten dichters.

Krankjorum

Afgelopen januari verklaarde Pfeijffer in 'Volkskrant Magazine' sussend dat hij zijn essay vooral 'een beetje gezellig' had proberen te maken. En Menno Wigman (een goede want 'onbegrijpelijke' dichter) liet onlangs in HP/De Tijd weten de door Pfeijffer aangezwengelde discussie 'volstrekt krankjorum' te vinden, wat hem terstond een plekje op de site van de podiumdichters opleverde.
Kortom, de discussie duurt voort. Uit alle reacties blijkt dat Pfeijffer met zijn betoog iets raakt bij de dichters.
Sommigen vinden dat Pfeijffer te hoog van de toren blies en misschien deed hij dat ook wel. Maar hij heeft een poging gedaan om literaire oordelen - wat is goede en wat is slechte poëzie? - aan te scherpen en dat is altijd zinvol.
Met Pfeijffers eis van onbegrijpelijkheid valt misschien iets te zeggen over de nominaties voor de prestigieuze VSB Poëzieprijs 2000, een prijs voor de beste poëzie van het afgelopen jaar die in juni wordt uitgereikt. Maken genomineerden Patty Scholten, Marjoleine de Vos, Martin Reinyts, Paul Claes, Gertrude Starink, Astrid Lampe en Kees Ouwens allemaal onbegrijpelijke, dus goede poëzie? En wat is dan de beste bundel?
Zelf hebben deze dichters zich (nog) niet uitgelaten over Pfeijffers woorden. Marjoleine de Vos interviewde voor deze krant twee van de 'ingewikkelder' dichters - maar dat zegt niks. En Kewes Ouwens zei dat poëzie best lastig mag zijn.
Misschien zijn de genomineerden de leeftijd voorbij dat ze zich over deze strijd druk willen maken, en is deze hele tweedeling en de opwinding daarover vooral een jongerenstrijd.
Hun bundels nodigen in ieder geval niet direct uit tot een discussie over verstaanbaar versus onbegrijpelijk.
Valt dan te bepalen of de genomineerden in een van beide kampen horen? Misschien om het zixchzelf wat makkelijker te maken, kijkt Pfeijffer in zijn betoog enkel naar de kant van de maker. Hij vertelt hoe een goed gedicht tot stand komt Volgens hem moet een dichter 'als een profeet orakels balken', risico's durven nemen. Dat klinkt heel bevolgen, maar is daarmee duidelijk of en hoe een gedicht onbegrijpelijk is?
Neem bijvoorbeeld Kees Ouwens. Zijn gedichten in de genomineerde bundel 'Mythologieën' spoelen als golven aan. Ze zijn hortend en stotend, soms in vlokken gestrand op de pagina, dan er weer breed over uitgevloeid. Vindt Ouwens dat hij risico's genomen heeft? Dat weet je als lezer niet. Je weet alleen dat je, als lezer, zelf risico moet durven nemen om deze poëzie te doorvoelen. (...)

[in de rest van dit paginagrote artikel meer over de verschillende bundels van de genomineerden - in een cursiefje op eind: 'Op de Nacht van de Poëzie, morgenavond in het Utrechtse Vredenburg, treden op Astrid Lampe, Patty Scholten, Marjoleine de Vos en Ilja Leonard Pfeijffer, die deze avond opent.']
(Fleur Speet, NRC Handelsblad, 30-3-2001)

terug naar boven


OORLOGSVERKLARING

Utrecht - Oorlogsverklaring; daarmee begon de 21ste Nacht van de Poëzie, afgelopen weekend in Vredenburg. Ilja Leonard Pfeijffer las een gedicht voor waarin hij alle toegankelijke poëzie verketterde.
Ware poëzie, donderpreekte Pfeijffer, is per definitie 'geen verstaanbaar verslag' en 'geen puisterige performance', want: "Wie 'klaarheid' zegt, is klaar met zeggen en zal niet meer zingen". Echte poëzie 'moet klonteren en schiften'.
Je zou verwachten dat na dit Hermetisch Manifest de artiestenfoyer het strijdtoneel zou worden van voor- en tegenstanders. Dat de poëten er vechtend over de grond zouden rollen, het schuim op de lippen. Maar dat was niet zo. Pfeijffer zat er gemoedelijk bier te drinken met Jean Pierre Rawie, het boegbeeld van de begrijpelijke poëzie. Podiumdichter Ingmar Heytze zei vertederd vanachter een bordje met zalm: "Ach ja - die Ilja toch. Een schatje. Overdrijft altijd een beetje. Waarom zou ik ruzie met hem maken? Er zijn zo weinig poëzielezers, dat we ons publiek niet in twee kampen moeten verdelen".
Waarna de overige twintig dichters overgingen tot de orde van de dag: het ten gehore brengen van weinig gecompliceerde verzen. (...)
De gedichten waren woord voor woord goed te volgen, mede dankzij de verhelderende voordracht. Uitgezonderd de verzen van Henk van der Waal. Maar dat is dan ook een berucht hermeticus die zichzelf 'een logisch-negativist'
noemt, Tibetaanse Dodenboeken analyseert en zich laat inspireren door de god Toth.
Zelfs C.O. Jellema (65), een in zichzelf gekeerde, broze man die dito poëzie voordroeg, sprak volkomen begrijpelijk over het verval van zijn lichaam, 'dat ooit zo vanzelfsprekend en vitaal was', maar nu 'vol groeven en verval'
. Geleidelijk vervaagden de grenzen tussen light verse, 'serieuze' poëzie en pure liedteksten van onder anderen Jan Boerstoel, een neerslachtige schrijver van cabaretliedjes met het voorkomen van een kantoorklerk en een passende grafstem. Hij sprak met walging over televisie-koks: "Steeds als ik zo'n kok z'n kop zie, / wordt anorexia alsnog een optie". (...)
Het werd een nacht zonder wanklanken. Iedereen vond iedereen aardig en het publiek vond alles mooi. Geen gelal, geen demonstraties van openbare dronkenschap, geen snurkende slapers, geen oorverdovend krakende plastic
bekertjes onder profielzolen, geen woedende discussies.
Toen afsluiter Ramsey Nasr tegen half vier zondagochtend van start ging, was de zaal net zo vol en het publiek vrijwel net zo helder als acht uur eerder. En toen Nasr monter voorstelde zijn optreden te verlengen met 'nog wat gedichies, ik heb hier nog 'n mooie over de liefde' kreeg hij gretig bijval.
(Kunstredactie, Haagsche Courant, 2-4-2001)

terug naar boven


ORAKELS BALKEN IN DE TAAL VAN ENGELEN

In het oktobernummer van 'Bzzlletin' schreef Ilja Leonard Pfeijffer vorig jaar een artikel over 'De mythe der verstaanbaarheid'. Het werd een gloedvolle oratio pro domo, want bovenal een verdediging van zijn eigen, weinig toegankelijke poëzie. Toch was Pfeijffer niet de eerste twintigste-eeuwse dichter die stelling nam tegen de prietpraat van dichters die per se willen communiceren. Een halve eeuw geleden ging een andere dichter, Gerard Diels, hem al voor in een opstel over het 'duistere vers'. In zijn essaybundel Het ongerijmde (1952) betoogde Diels dat je van een dichter geen communicatie moet verlangen. De uitlegbaarheid, stelde hij, staat buiten het gedicht als kunstwerk, omdat het als zodanig slechts de interpretatie van een beleving wil zijn en niet van een 'redelijke meedeling'.
Pfeijffer hanteert in 'Bzzlletin' dezelfde argumenten als Diels, maar hij doet dat met nieuwe voorbeelden en in alledaagse taal. Nieuw is ook dat hij zijn vijand met name vermeldt. Hij richt zich tegen podiumdichters als Ruben van Gogh en Hagar Peeters, die verstaanbare poëzie willen schrijven - poëzie die je, aldus Pfeijffer, kunt lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest.(...)
(Arie van den Berg, NRC Handelsblad, 6-4-2001)

terug naar boven



VUURVOGEL MET RARE MUTS

(...) Ilja Leonard Pfeijffer kennen we wellicht door zijn recente poging de poëzie op te luisteren met een polemiek. Het is al een tijdje geleden, en het was in het tijdschrift 'Bzzlletin', maar Ilja Pfeijffer had de moed, of volgens sommigen, de overmoed, om woest en onbehouwen de aanval te openen op het uitdijende genre van de performing poetry. In een boos artikel maakte Pfeijffer podiumdichters als Ingmar Heytze, Bart Droog en Ruben van Gogh met de grond gelijk, en hun poëzie eveneens, en legde eens en voor altijd aan Nederland uit wat poëzie nu eigenlijk was, 'echte' poëzie, 'goede' poëzie.
Verstaanbaarheid was ongewenst, omdat dat eendimensionaliteit veronderstelt. Onbegrijpelijke poëzie is derhalve altijd beter dan gemakkelijke. Onbegrijpelijke gedichten kunnen door hun meerduidigheid de complexiteit van ons gedachteleven oproepen.
Pfeijffer wond zich op over de groeiende schare zichzelf dichter noemende sujetten die performend door het land trekken en niet alleen jongerencentra onveilig maken met hun zelf bedachte verzen maar tot aan de Nacht van de Poëzie serieus worden genomen.
Daar zit iets in, wat Pfeijffer zei.
Maar hij wilde wel erg graag.
Ilja Pfeijffer wilde erg graag vooral zijn eigen poëzie laten zien als 'echte' poëzie.

Het hoenderhok waar deze knuppel in tuimelde was te klein om grote discussies te kunnen losmaken. De vele (podium)dichters die zich aangesproken voelden verloren zich in eindeloze verbolgen e-mails naar elkaar en naar de redacties van dag- en weekbladen, maar alleen dichter-criticus Rob Schouten bleek geneigd om, heel grootmoedig, de 'polemiek' zo serieus mogelijk te nemen en er in 'Vrij Nederland' een stuk over te schrijven, waarin hij het gekrakeel-in-de-dop wegzette als een oprisping die nu eenmaal hoort bij de literatuur.
Toen was het weer stil.
Dat Ilja Leonard Pfeijffer de Nacht van de Poëzie opende, bewijst dat hij niet door de altijd energieke, altijd militante afdeling Performing Poets in een donker steegje is opgewacht en aan zijn eigen haren is opgeknoopt. Hij leeft gewoon nog. Sterker nog, zijn nieuwe bundel is net uit.
In die bundel, Het glimpen van de welwiek, maakt Ilja Leonard Pfeijffer zijn radicale uitdspraken waar. Zo lijkt het. In vele toonaarden, en met vele metaforen, en in vele, vele bladzijden betoont hij eer aan de ware poëzie - sorry, zijn ware poëzie. Ten overvloede legt hij de 'affaire' nog eens uit (of laat hij de reden van zijn boosheid nog eens zien), in het gedicht 'vuurvogel' (van vier pagina's). [volgt citaat uit gedicht]
'Puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie', kortom. Wie klaarheid zegt is klaar met zeggen. Altijd leuk om te lezen hoe de dichter zichzelf en zijn werk serieus neemt en 'verkondigt'. Want dat is het: ilja Leonard pfeijffer verkondigt zichzelf en zijn poëzie. Niet één keer, maar drie, vijf, zeven keer. (...)
De dichter is niet een vuurvogel, zoals Ilja Leonard Pfeijffer wil, de dichter in Het glimpen van de welwiek is een doordraaiende monomaan met een kop vol woorden, en met een kop vol ideeën over wat poëzie is, en daar voornamelijk over schrijft in plaats van haar te doen ontstaan.
Hoe lang is dergelijke poëzie vol te houden?
(Rob van Erkelens, De Groene Amsterdammer, 7-4-2001)

terug naar boven



HET EIND VAN EEN MYTHE

Al eerder berichtten we over een debat in Utrecht. Inmiddels hebben we aan de hand van vier verschillende ooggetuigen een beter beeld gekregen van wat daar precies gezegd werd: Ilja Leonard Pfeijffer en enige betrokken dichters spraken op 10 april 2001 in de Lutherse Kerk te Utrecht met elkaar, met een wetenschapper en een journalist over zijn stellingen zoals verwoord in het artikel 'De mythe der verstaanbaarheid', in 'Bzzlletin', oktober 2000. Pfeijffer zwakte veel van zijn eerder gedane beweringen af en zei slechts zijn eigen poëtica te hebben willen verwoorden. Als andere dichters daar niet hetzelfde over dachten, had hij daar begrip voor.
Wel stelde hij dat Ramsey Nasr begonnen was met het roepen van dat de poëzie eenvoudiger zou moeten worden en dat alles wat hij daar als antwoord op schreef Nasr te verwijten is. Daarnaast waste hij zijn handen in onschuld, omdat de redactie van 'Bzzlletin' hem de opdracht gegeven had een artikel te schrijven dat inging op Nasrs beweringen. Kortom: eigenlijk viel hem niets kwalijk te nemen, want het kwam allemaal door anderen.
(Bart FM Droog, Rottend Staal Online, 19-4-2001)

terug naar boven


VERWAANDHEID

Hij zei het met iets andere woorden, maar wat een verwaandheid waarmee die dichter voor volwassenen (Ilja Leonard Pfeijffer in Bzzlletin, oktober 2000 (red.)) beweerde dat gedichten die je niet begrijpt altijd beter zijn dan gedichten die je snapt. Zo iemand vindt het volgende kleuterversje natuurlijk tien keer niks: 'Wat een/ goeie gieter// wat een/ goeie grote gieter// wat een goeie grote groene gieter// wat een/ goeie gieter.' En heel zeker is hij vergeten hoe klein hij zelf ooit begon: 'je leerde kijken/ ogen/ mond/ gezicht// je leerde spelen/ doosje/ open dicht// je leerde lopen/ lampje/ knopje/ licht// je leerde lezen/ letter/ woord/ gedicht.'
Het versje 'De gieter' staat in Binnen en buiten van Leendert Witvliet. Van al zijn bundels is Apen kijken voor jongeren vanaf een jaar of twaalf de recentste; met Momme-la-me-los bediende hij kinderen vanaf 6 jaar en zijn nieuwste met daarin 'Twintig gedichten om naar buiten te gaan' en 'Twintig gedichten om binnen te blijven' is zijn debuut voor kleuters. Met - zo lijkt het - groot gemak geeft hij klank aan verbazingwekkende dingetjes van niets. Zijn versjes zijn stuk voor stuk parmantig vertelde verhaaltjes, hartverheffend pretentieloos.
Leendert Witvliet: Binnen en buiten. Querido; f 25,00
(Jan Smeerkens, Provinciale Zeeuwse Courant, 20-04-2001)

terug naar boven


BREVET VAN ONVERMOGEN

(...) In een essay dat Pfeijffer onlangs publiceerde in 'Bzzlletin' verdedigde hij het gedicht 'Het spel en de wolken' uit zijn eerste bundel, door te laten zien hoeveel interessanter hij het gemaakt had.dan de letterlijke aanleiding ervan was. Maar wat hij aantoonde was voor mij alleen dat een oninteressante werkelijkheid, ook mooi opgesierd en aangekleed als verbloeming, werkt als een soort vergrootglas en het gedicht valt als maakwerk door de mand. De hele redenering dat een complexe wereld alleen in complexe gedichten beschreven kan worden lijkt mij trouwens dubieus. Een chaotische werkelijkheid vang je niet in een chaotisch gedicht. Het een slaat het ander dood. Door de onverstaanbaarheid van een gedicht te verdedigen met het verwijzen naar de ingewikkeldheid van de werkelijkheid draai je de zaken om en reik je jezelf een brevet van onvermogen uit. Stijl en vorm zijn hier de enige manieren om tot een benadering te komen. (...)
(Elly de Waard, Vrij Nederland, 21-4-2001)

terug naar boven


TIJDSCHRIFTEN: FOO KO FEKK

(...) Vijf jaar geleden maakte Parmentier ook een poëzienummer waarin toenmalig uitgever Hans Vandevoorde schreef dat het 'gedicht van de toekomst' niet veel meer kon zijn dan het 'tegenzanggedicht van de marge'. RedacteurFrank Tazelaar schrijft nu dat het gedicht juist uit de marge moet en 'in de piste'. Een plaats die natuurlijk sterk doet denken aan een podium en Tazelaar komt er dan ook niet onderuit om toch nog even te reageren op het inmiddels veel besproken artikel van Ilja Leonard Pfeijffer dat een half jaar gel[e]den in Bzzlletin verscheen. Hierin maakte Pfeijffer een kwalitatief onderscheid tussen de moeilijke papierdichters en de makkelijke podiumdichters.
Tazelaar zegt terecht dat het 'juist interessant' is dat die tegenstellling de laatste jaren op verschillende manieren achterhaald raakt', maar bovenal toont hij zich geïrriteerd door het feit dat Pfeijffer zijn eigen poëzie naast die van Lucebert ten voorbeeld stelde: 'Wat me doet denken aan Dan Quayle die zich graag vergeleek met John Kennedy'. Anders gezegd: Tazelaar vindt dat Pfeijffer kapsones heeft.
Maar wat dan te denken van een nieuw manifest als 'De vegt-lijnen'? Hierin kondigen de dichters Han van der Vegt en peter Holvoet-Hanssen een andere, lees: hun eigen poëzie aan: 'We zijn al enige tijd bezig die poëzie te schrijven en tew publiceren, maar dat blijkt niet altijd voor iedereen duidelijk.' En ook hier: 'Onze poëzie heeft de bescheidenheid afgelegd. Niet de marge maar de piste is haar speelterrein.'
Het is een even luidruchtige poëtica als die van Pfeijffer, met dit verschil dat deze twee dichters zich van tevoren indekken tegen lezers die de gedichten aan de poëtica (en andersom) willen spiegelen: 'Net zo min als onze gedichten ons kunnen binden of inperken, kunnen onze meningen dat. Morgen zijn we vergeten wat we vandaag hebben gemaakt, om nieuwe dingen te maken.' Veel meer dan een impuls mag poëzie dus niet zijn. En of poëzie nog iets met continuïteit van doen heeft blijft ook de vraag.
Parmentier, Nijmegen, jaargang 10, nummer 3, 78 pagina's. f 17,50.
(Peter Swanborn, De Volkskrant, 24-4-2001)

terug naar boven


SELECTIE RADIO

Kunststof. Dichter Ilja Leonard Pfeiffer licht zijn wens voor onbegrijpelijke poëzie toe en praat over zijn bundel Het glimpen van de welwiek. Radio 1, 19.04-20.00u.
(NRC Handelsblad, 26-4-2001)

terug naar boven